Lezingen:

  • Joh. 14:1-14
  • Fil. 3:17-21
  • Fil. 4:4-8

Inleiding

Aanstaande donderdag vieren wij het feest van hemelvaart. Hemelvaart is een ondergeschoven kindje in de reeks feesten, toch hoort het erbij. Is het de 40e Paasdag. Hoe we hemelvaart moeten bekijken, daar zullen we het donderdag over hebben, maar waar ik vandaag met u, met jullie over wil nadenken is het probleem van de hemel. Ja, de hemel is een probleem geworden, want, de hemel, wat moeten we ons daar nou eigenlijk onder voorstellen? Waar is nou de hemel gebleven? De lezingen, vandaag een keer twee lezingen uit het nieuwe of tweede testament, laten misschien wel vandaag licht schijnen over de hemel of juist andersom, schijnt het hemels licht op de woorden die we hier met elkaar lezen.

Overweging

U kent waarschijnlijk allemaal een hemel grap. Zal ik er een vertellen? Ik hoop niet dat ik iemand tegen de borst stoot, maar ja, daar zijn grappen wel een beetje voor… Komt die:

Een man komt in de hemel en krijgt een rondleiding van Petrus door verschillende kamers. Overal is het even vrolijk en luidruchtig, hoor je gelach en gezang. Maar ineens zegt Petrus op de gang: “Psst, hier even stil zijn”. “Hoezo?”, vraagt de man. “Nou”, zegt Petrus, “we hebben hier de kamer voor de gereformeerd-vrijgemaakten, die denken dat ze hier alleen zijn”.

De hemel als woonplaats niet alleen van God, de engelen en de heiligen, maar ook van de overledenen, waar plek is voor allemaal. Waar het de hemel voor iedereen is. De tegenhanger van de hel, waarvan paus Johannes de 13e nog zei dat de hel wel bestaat maar dat hij gelooft dat die leeg is. Trouwens citeerde de paus hier Therese van Lisieux.

Maar ja, de hemel als woonplaats bij de Vader, waar is die dan? Toch niet als we naar boven kijken, naar de ruimte? Daar zien we immers wat in het Engels “sky” heet, de hemel als ruimte boven de aarde, niet “heaven”, niet de woonplaats van God, de eeuwige bestemming. Door ruimtevaart en onderzoek is “de hemel” zichtbaar voor ons geworden, planeten, sterren, zelfs zwarte gaten kunnen we tegenwoordig op foto”s bekijken. De eerste mens in de ruimte, Joeri Gagarin, jawel, een Rus, zei bij zijn terugkeer op aarde dat hij God daar boven niet had gezien. Het heelal is donker, er is geen god. We zien daar boven sterren, planeten maar de woonplaats van God is niet te zien.

In de bijbellezingen van vandaag wordt de hemel als woonplaats van God wel verondersteld. De hemel staat in de bijbel niet los van de aarde, ze zijn allebei geschapen, toch heeft de hemel in de christelijke traditie een andere status gekregen, als plek van het hiernamaals. Als ruimte daar boven. En die voorstelling zorgt wel voor wat verwarring.

Paulus en Johannes weten nog niet zo veel over het heelal en de astronomische hemel als wij. In hun tijd stelden mensen zich de hemel waar God woont voor als een plaats. Deze hemel zou zich dan in de ruimte boven de zichtbare hemel bevinden. Dus ook niet dat stukje blauwe lucht is volgens het bijbelse wereldbeeld de hemel, maar Gods hemel is boven de zichtbare hemel. Door Paulus wordt die plek ook wel de “derde hemel” genoemd. De hemel boven de hemel. Daar liggen volgens de bijbel de hemelse geschenken opgesloten: regen, manna, Gods Geest die als een duif uit de hemel naar beneden komt. Wanneer de hemel opengaat, dan treedt God in contact met mensen en daalt Gods zegen van boven naar beneden.

Deze gedachten over de hemel als ruimte boven de aarde en woonplaats van God zijn ideeën die met ons wereldbeeld niet meer verenigbaar zijn. Dat God daarboven woont en van daarboven God zijn macht doet gelden, is door de natuurwetenschappelijke kennis niet meer mogelijk. Hoewel, zeg ik erbij, weten wij veel wat achter de horizon van het heelal verborgen is?

De christelijke voorstelling van de hemel als ruimte zorgen plat begrepen voor geloofstwijfel of afwijzing van het geloof in God. God is niet in de hemel of in het heelal te vinden, dus bestaat God niet. Zo luidt de begrijpelijke, maar toch iets wat banale beredenering.

Te gemakkelijk wordt er dan erover heen gestapt, dat de bijbel niet alleen ruimtelijk van de hemel spreekt. Voor Johannes en Paulus is de hemel niet alleen een plaats, maar de hemel is ook een dimensie, een krachtssfeer. De hemel waar God is, begrepen als een niet-ruimtelijke dimensie is een vernieuwing op het wereldbeeld van toen.

U kent allemaal de verhalen van de Griekse en Romeinse goden. De goden die best veel op mensen lijken en op de berg Olympus wonen. De woonplaats van de Griekse goden was een bepaalde ruimte.

Het Jodendom en het Christendom distantiëren zich van deze al te menselijke voorstelling van God of goden. Voor Joden en Christenen is God niet te vatten in een beeld, niet vast te leggen in een ruimte. God is transcendent, het immanente, het aardse, het materiele vervullend en toch ook overstijgend. God die werd gezien als schepper van de aarde en de hemel, overstijgt zijn eigen schepping, God gaat zijn eigen woonhuis, de hemel, te boven.

Het huis van God met vele kamers, schetst Jezus hier ook het beeld van wat wij gemakshalve de hemel noemen? Het blijft een raadsel, ook voor Tomas want die snapt er niets van. Tomas begrijpt niet waar Jezus het over heeft. Het huis van de Vader, Gods woonplaats of de weg daarnaartoe – Tomas heeft geen idee wat hij zich daarbij moet voorstellen. En terecht. De hemel is ook niet voorstelbaar, de hemel is niet te vatten, we weten niet waar de hemel is, hoe de hemel is en wat het precies voorstelt.

Er is overigens niets mis ermee om zich een voorstelling te maken van de hemel. Jezus beschrijft de hemel als een toekomstvisioen waar voor iedereen een plek gereed is in Gods nabijheid. In andere evangelieen wordt de hemel gezien als pure vreugde, als een bruilofsfeest, als een plek waar goedheid en vrede wonen. Voor kerkreformer Luther was de hemel een plek waar appel- en peer- bomen staan. In het zeer omstreden, en toch moet ik bekennen mooi lied “Jeruzalem, mijn vaderstad” van Willem Barnard schildert hij in zijn toekomstvisioen van zo je wilt, de hemel, het ware Jeruzalem, stad van vrede, als de plek waar Luther zingt als een zwaan en Bach de maat der englen slaat.

Er is niets mis ermee om zich een beeld te maken van de hemel, als we maar blijven beseffen, dat Gods werkelijkheid er weer heel anders uitziet, dan het beeld wat wij ervan hebben.

Maar er moet toch iets te zeggen zijn over de hemel? Een glimp van de hemel moet toch op te vangen zijn?

Paulus maakt een onderscheid tussen mensen die hemels leven en mensen die aards leven. Het aardse leven speelt zich volgens Paulus af rond buik en schaamteloosheid. Paulus schijnt hier tegen Joodse christenen in te gaan, die de spijswetten van het grootste belang achten. De aandacht ligt op het voedsel, wat wel en niet te eten. Maar Paulus vindt de spijswetten minder essentieel. Wat volgens Paulus van belang is, dat zijn deugden als rechtvaardigheid, liefde en morele voortreffelijkheid.

De deugden die Paulus beschrijft zijn de hemelse plichten die het hemelse burgerrecht met zich meebrengt. De hemelse rechten dat is het vertrouwen dat Gods kracht ons zelf voor de duisternis van de dood kan bewaren. Een hemels recht, dat is het delen in de vreugde van God. Hemels recht dat is de zorgeloosheid waarvan Jezus spreekt.

Wanneer Paulus het heeft over de hemelse burgerrechten betekent dat niet, dat de rechten en plichten ergens plaatselijk zijn opgeslagen of ergens in een volmaakt rijk zijn oorsprong vinden. Hemelse burgerrechten hebben hun oorsprong in de transcendentie van God. Ze transcenderen de werkelijkheid, veranderen de werkelijkheid, overschrijden, gaan voorbij de horizon van wat wij kunnen verwachten en dromen.

Waar is de hemel gebleven? Met deze vraag begonnen wij. Maar “waar” is misschien niet helemaal de goede vraag. We zien de hemel niet als we naar boven kijken. We zien de hemel ook niet in onze voorstellingen en beelden. We kunnen eigenlijk alleen maar proberen om de hemel te kennen, te ervaren, de hemel te beminnen, te kennen door elkaar lief te hebben, met elkaar in vrede te leven. De hemel moet je proberen te leven.

En we weten allemaal, dat dat niet meevalt. Dat de aarde vaak genoeg niet het hemels licht weerkaatst. Wanneer hemelse plichten worden geschonden, de liefde met voeten getrapt, de aarde vernielt, mensen vermoord – dan is de hemel ver weg van de aarde. Wanneer de dood ons alle vreugde, alle liefde neemt, wanneer de hemel gesloten blijft, de vreugde verstomt.

Maar er zijn ook die momenten, God-zij-dank, die momenten telkens weer of alleen in onze herinnering dat de hemel de aarde raakt, onze gesloten ziel openbreekt, met licht en vreugde en genade vervult. Wanneer we ervaren dat er meer is tussen hemel en aarde. Wanneer we geraakt zijn door de schoonheid van de muziek of de natuur. Wanneer in een gesprek de hemel open gaat. Wanneer we Gods stem horen, een hemelse stem verborgen in aardse barmhartigheid.

Jezus brengt in het gesprek met zijn vrienden de hemel dichterbij dan je je kunt voorstellen. Als de dimensie, de kracht, de jawel, de ruimte waarin God in ons midden is, in Jezus zijn gelaat liet zien, in ons, door ons is en ons toch overstijgt. Als de hemel die ons omarmt, een weg wijst. Met hemelse plichten: vrede stichten, goedheid delen, liefde leven, solidair met elkaar zijn. En gaandeweg hemelse rechten ontvangen als genade: onbevreesd mogen zijn, diepe vreugde ervaren. Een vertrouwen op de belofte, dat God een toekomst voor ons in het verschiet houdt, ook voorbij dit leven, een plek aan Gods hart, voor heel zijn schepping.

Amen.