Lezingen:

  • 2 Kon. 2:1-18
  • Han. 1: 1-12

Afgelopen zondag hadden we het over de hemel, dus, vandaag komt de vaart aan de beurt.

Over de hemel heb ik misschien een paar heilige huisjes afgebroken. De hemel, daaronder moeten we ons goed theologisch en bijbels bezien, toch niet zo zeer een plaats daarboven voorstellen, geen plek waar Petrus aan de poort staat en waarover je hemel-grapjes kunt maken, maar de hemel is veel meer dan dat.

Niet alleen een plaats, een locatie, een plek waar je bent in dit leven of voorbij dit leven, maar ook een dimensie, een dynamiek. De hemel als een kracht in welk licht onze voorstellingen, onze dromen, onze hoop beschaamd worden.

Dus misschien komen er eerder heilige huisjes bij, heiligheid, grootheid, ontzag, wanneer we zingen dat de hemel van hier niet de hemel van ooit is. En dat de hemel van ooit de aarde van hier begroet wanneer liefde het leven verandert.

Heilige huisjes afbreken en weer opbouwen, volgens mij is dat de taak van theologie dus we gaan er vandaag mee door. Want de vaart naar de hemel, lieve mensen, dat woord kunnen we wat mij betreft wel schrappen. Hemelvaartsdag, behalve dauw trappen en rommelmarkten, het zegt de meeste mensen helemaal niets meer en als we eerlijk zijn: veel kerkmensen zegt het ook vrij weinig. Ik denk dat dat met name komt door die rare naam: hemelvaart.

Vaart, dat moest ik even opzoeken, heeft meerdere betekenissen in het Nederlands. Het is de gang of snelheid, het varen van de scheepvaart en ten slotte kan vaart ook kanaal betekenen. In het Duits heeft Fahrt van Himmelfahrt deels dezelfde betekenissen als in het Nederlands, maar ook nog een andere interessante, namelijk in het Duits kan Fahrt ook opwinding betekenen. In het Nederlands heb je dan ook het spreekwoord “het zal zo”n vaart niet lopen”.

Dus gelukkig zit er in, onder het woord vaart nog wat meer diepte, vloeibaarheid, emotie, ondoorgrondelijkheid dan we al gauw denken, want hemelvaart, daarmee associëren we toch vooral een soort tocht naar de hemel. Hup, naar boven, op een wolk ook nog. Aftocht misschien wel, want daarna is Jezus niet meer gezien.

Niet voor niets dat dichters als Bertholt Brecht de hemelvaart van de Heer belachelijk maakten door er een aftocht op een roze wolk van goden uit het tranendal der aarde van te maken. De goden zijn ten hemel gevaren en de mensen moeten het zelf maar uitzoeken.

Zo is het dus niet bedoeld, maar hoe dan wel?

Jezus is niet de eerste die ten hemel vaart of eigenlijk kunnen we beter zeggen, die wordt opgenomen, want dat staat er in het Grieks: analambano en daarin zit niet alleen een dimensie naar boven, maar ook de dimensie van geborgen zijn, thuis komen zo je wilt. Je zegt wel eens dat je je opgenomen voelt in een kring van mensen, bij vrienden of, hoe mooi is dat, opgenomen voelen in de gemeente van Christus. Jezus die in Gods verborgenheid, Gods tegenwoordigheid wordt opgenomen – hij is niet de eerste.

We lazen over Elia en zijn opklimmen naar de hemel, met vuur en storm, zoals het een echte profeet betaamd. Langs een aantal plaatsen die meer zijn dan locaties. Beth-El, het huis van God, Jericho, de toegang tot het beloofde land en de Jordaan, de grensrivier, het doodssymbool. Het is de overgang van doods-heden naar levens-toekomst, zo zegt het Willem Barnard.

Mozes is een andere hemelvaarder, zijn graf is nooit gevonden, omdat de Heer zelf hem heeft begraven. En denk nou niet met schoffel en aarde.

Of denk maar aan Henoch, ook zo”n ontstorvene. Okke Jager beschrijft het in zijn gedicht Worden als een kind zo:

God en Henoch waren kameraden.
Dus God kwam vaak bij Henoch op bezoek.
Nadat zij samen voor de kwaden baden,
Las God een stukje uit Zijn eigen boek.

Eens zei de Here op een mooie morgen:
"Zeg, Henoch, ga je mee een eindje om?
Je vrouw zal dan wel voor het eten zorgen."
En Henoch zei: "'t Is goed hoor, God, ik kom!"

Hij durfde wel zijn kindren achterlaten.
Hij riep: "Tot straks!" en deed de deur op slot.
Zij hadden samen heel veel te bepraten.
Dus Henoch wandelde aldoor met God.

De vogels wisten wel, voor Wie zij zongen.
En alle bloemen kwamen nu aan bod.
De herten kwamen dichtbij met hun jongen.
En Henoch wandelde aldoor met God.

Totdat opeens - "o Heer!" zei hij geschrokken,
"Wij zijn al veel te ver: daar staat Uw Huis!
"t Is lang geleden al dat wij vertrokken...
Hoe kom ik ooit alleen weer veilig thuis?"

"Och Henoch," zei de Heer, "om tijd te winnen,
- Je komt toch later bij Mij wonen, - zeg,
Ga nu dan maar gelijk met Mij naar binnen!"

En Henoch was niet meer: God nam hem weg. Opgenomen worden in de hemel, ja, het heeft wel iets met aftocht te maken. Het heeft wel iets met de grens van het aardse leven te maken. Henoch, dat was de 7e mens in de lijn van Adam. De Sabbat-mens, zo kun je het wel zeggen, die wandelde met God, leven in hemels licht. In Henoch sterft dat wat de hemel van de aarde gescheiden houdt. Een gedoopte is hij, een opgestane.

Dood, dat weten we sinds Pasen, dood is Jezus niet. Niet in het lege graf is hij, niet bij de doden, maar bij de Levenden. De dood wordt opengebroken door de opstanding van Jezus. Voor hem als eerste, een belofte voor ons allen. En eigenlijk is die hemelvaart, dat opgenomen worden in de wolk van Gods tegenwoordigheid ook zoiets: het aardse, het zichtbare, het tastbare – het wordt opengebroken door die hemelse dynamiek, die hemelse kracht.

God is tegenwoordig, God is in ons midden – God die zo menselijk nabij was, als een broeder, een rabbi, een vriend, een leider. Als een mens onder mensen die niets overhield, niets van liefde achterhield, die vernederd, gemarteld aan het kruis, zelfs dood ging om de mensen, om de aarde. Die mens die wandelde met God als geen ander, die thuis komt, thuis is aan het hart van God, waar dat goddelijke hart van barmhartigheid klopt voor de aarde. Want de hemel, waarin Jezus is opgenomen, die is niet, niet alleen ergens ver weg, daar boven, maar die is ook hier, in ons midden, de hemel als bescherming, gespannen over heel de aarde.

In Handelingen komt het woord hemel vier keer voor. Niet voor niets lijkt me. De hemel als uitreikend in alle windrichtingen, in alle dimensies en meer dan dat, in heel het bestaan, voor heel het bestaan of in leven of in de dood, het zichtbare en het onzichtbare, alles en allen omsloten door Gods liefde.

Jezus is niet ergens heen gegaan, maar juist hier gebleven, daar waar de hemel open gaat, daar waar God welkom is, daar waar het hemelse licht de pijn en de duisternis van de aardse hel verdrijft die wij elkaar zo vaak aandoen. Daar waar de naaste gezien wordt als een God-gezante, daar waar de ander, de kwetsbare, de laatste gediend wordt als ware het God zelf, daar is Jezus in ons midden.

Mannen van Galilea, mensen uit Boornbergum: Wat staan jullie naar de hemel te kijken? Hij komt, altijd weer, zoals hij is opgenomen, in een wolk van goddelijke nabijheid, bescherming, een hemelse kracht die ons verstand te boven gaat. Niet wederkomst van Christus staat hier, maar komen. Telkens weer. Gevraagd en ongevraagd als de hoop van vrede.

Naar de aarde moeten we kijken, naar de naaste, naar ons levenspad waar God, de liefde met ons meegaat, ons begroet als kinderen van de opstanding, kinderen van de vreugde, kinderen van de Geest. Naar het leven kijken om in beweging te komen, om lief te hebben, een plek voor God vrij te houden, om de hoop te leven. Om daarmee…vaart te maken.

Amen.