Lezingen:

  • Jes. 49:1-7
  • 1 Kor. 1:1-9
  • Mat. 4:12-22

Stelt u zich voor u bent bezig op een gewone dag. Misschien op je werk. Achter je bureau. Of met klanten in gesprek. Misschien ben je ergens iets aan het repareren of aan het maken. Voor de klas aan het staan. Misschien ben jij thuis schoolwerk aan het maken, of zijn je vrienden over de vloer. Of je bent thuis aan het huishouden of in de tuin bezig.

En stel je voor, dat op dat moment iemand langs komt. Je kent hem niet, geen idee wat voor vent het is. Het enige wat hij zegt is: “Kom, volg mij, ik maak van je een visser van mensen.”

Als u heel eerlijk bent: zou u het doen? Wie zou die man volgen? Zomaar iemand op zijn lieve ogen geloven en alles achter laten. Het is toch een bizar verhaal. Ik denk dat niemand van ons het zou doen.

De vissers zijn bezig met hun werk. Ze werpen hun netten uit om hun dagelijkse kost te verdienen. Als visser in die tijd ging het niet slecht met je. Petrus en de andere vissers hadden wel een lucratieve business, daar aan het meer van Galilea. Ze zijn bezig en het gaat goed met ze. Net als wij verdienen ze hun geld, leven ze hun leven, zijn ze met zichzelf en hun omgeving bezig. Maar toch staan zij op en volgen die onbekende man. Simon, Andreas, Jakobus en Johannes volgen de stem en de belofte van Jezus.

Waarom doen ze dat?

Ze laten niet alleen hun werk achter, maar ze laten ook hun familie achter. Hun vader Zebedeus laten ze achter. die door zijn zoons Jakobus en Johannes achter wordt gelaten.

Ik vraag me af wat Zebedeus, hun vader, ervan vond. Eerlijk gezegd geloof ik niet dat hij wel zo blij was. Ik denk dat Zebedeus wel aan het vloeken was, dat hij Jezus wel kon schieten. Welke vader, welke moeder zou niet vreselijk boos worden, als een of ander iemand je kinderen van hun werk wegroept en ze hem op een totaal onbekende wegen gingen volgen? Welke vader en welke moeder zou nou helemaal achter het kind staan, dat keuzes maakt die het leven totaal op z’n kop zetten. Niet alleen het leven van het kind, maar ook je eigen leven, als daardoor het kind op een afstand komt te staan.

Waarom doen ze toch zo gek? Waarom laten ze alles achter en volgen Jezus?

Kijken we eens naar datgene wat Jezus tegen ze zegt. Hij zei tegen hen: “Kom achter mij aan en ik zal van jullie vissers van mensen maken”. “Kom” is een uitnodiging. Jezus zegt het verderop in het evangelie ook tegen mensen die vermoeid zijn. “Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven.” Dezelfde uitnodiging aan de vissers en aan mensen die vermoeid en gebukt gaan. Kom, en ik zal je rust geven. Kom, en ik zal je tot mensenvissers maken.

Vissers van mensen. Waarom is dat zo’n mooie belofte voor de vissers? Wat betekent mensen vissen in de bijbel?

Om dat te begrijpen, moeten wij de symbolische betekenis van water en vissen erbij halen. Aan het begin van de tijd van Epifanie wordt vaak het verhaal gelezen van de doop van Jezus in de Jordaan. Jezus gaat kopje onder in het water van de doods-rivier, zoals de Jordaan ook wel wordt genoemd. Als hij weer uit het water opstijgt, komt de Geest van God, als een vogel op hem. Net als in het begin, toen er chaos was, toen er niets was, ook toen zweefde Gods Geest boven het water, boven de oer-massa van niets.

De watermassa’s in het begin is een bedreiging, is iets dat door God gescheiden en geordend moet worden. De watermassa’s in het verhaal van Noach is een bedreiging voor mens en dier. Het water in zo grote massa’s is onbeheersbaar. Het brengt dood, het is diep en ondoorgrondelijk, het is bedreigend. In de bijbel staan de watermassa’s voor het kwaad, voor de oer-chaos, de oer-ellende in onze levens.

Wanneer wij het hebben over vissen, dan staan zij in de bijbel symbool voor de bewoners van deze oer-ellende. De vissen wonen in het chaos, in het bedreigende water.

Wanneer Jezus tegen de vissers zegt, dat hij hen tot vissers van mensen maakt, snappen ze er eerst niets van. Mensenvissen, dat kan toch helemaal niet. Dat bestaat niet. Maar juist omdat Jezus hen op het verkeerde been zet, juist daarom begrijpen ze ineens, dat Jezus het niet letterlijk over vissen en mensen heeft. Ze begrijpen, dat Jezus in de taal van het geloof tot hen spreekt.

Niet alleen de vissen zijn bewoners van dat oer-chaos van de watermassa’s, maar ook de mensen, ook wij, zijn bewoners van de oer-chaos. Ook wij leven net als vissen, in een wereld die soms ondoorgrondelijk is. Een wereld die bedreigend is. Een wereld die vol kwaad is. Levens leiden we waarin we ons verloren kunnen voelen. Soms zijn we verzonken in de watermassa’s en snakken naar lucht, snakken naar bescherming, snakken naar vastheid onder onze voeten, snakken naar een woord dat leven brengt.

We snakken naar een visser die ons uit de verlorenheid vist. Een visser die in ons de menselijkheid naar boven vist. Een visser die ons in zijn netten van liefde opvangt en beschermt. Een visser die voor ons een antwoord heeft op de vragen van het bestaan, die ons leven weer richting geeft.

De vissers aan het meer van Galilea begrijpen wat Jezus hen belooft. Dat Jezus hen belooft om mensenvisser te worden die mensen uit de verlorenheid naar boven vissen. Een mensenvisser die anderen in beschermende netten opvangt. Een mensenvisser die een woord van leven geeft aan mensen die snakken naar adem en rust.

De roeping van de vissers wordt op die manier bekeken een stuk begrijpelijker. Simon, Andreas, Johannes en Jakobus volgen niet een of ander gek. Ze volgen niet een of ander pubertaire gedachte waardoor je je ouders het meest voor het hoofd kunt stoten. Ze volgen niet een roeping in het leven die te gek voor woorden is. Nee. Ze volgen de roeping die voor ons allemaal een roeping is. Al in de moederschoot geroepen om een licht voor mensen te zijn, zoals Jesaja het in hoofdstuk 49 beschrijft. Een roeping om het menselijke in jezelf en in anderen naar boven te vissen. Een roeping om jezelf en andere uit het chaos en de ellende te vissen. Een roeping om die visserman te volgen die antwoorden heeft op vragen van ons bestaan. Die visserman die ons leven geeft, rust geeft, water geeft dat wel de dorst kan lessen.

Over deze grote visserman heeft Guillaume van der Graft, alias theoloog en dichter Wilhelm Barnard een gedicht geschreven. Ik vind het gedicht ontroerend, het raakt mij. Het raakt me, omdat de dichter worstelt met vragen van het bestaan. Een schim van een antwoord vind de dichter in de visserman. Het gedicht heet “Vragenderwijs”.

Ik vroeg het aan de vogels
de vogels waren niet thuis

ik vroeg het aan de bomen
hooghartige bomen

ik vroeg aan het water
waarom zeggen ze niets
het water gaf geen antwoord

als zelfs het water geen antwoord geeft
hoewel het zoveel tongen heeft
wat is er dan

wat is er dan
er is alleen een visserman

die draagt het water
onder zijn voeten
die draagt een boom
op zijn rug
die draagt op zijn hoofd een vogel.

De visserman is het antwoord op onze vragen, omdat hij de wereld in al haar facetten draagt. Omdat in hem alles samen komt, alles op z’n plek valt. En deze visserman die het antwoord is op ons bestaan roept ons en geeft ons in zijn roeping een antwoord waartoe wij geroepen zijn.

Het is niet noodzakelijk het leven, onze baan, onze familie de rug toekeren. Maar het is de roep om menselijkheid in je leven, in je baan, in je bestaan naar boven te vissen.

Uit een visser wordt dan een mensenvisser. Uit een tentenmaker wordt een apostel van vrede, uit Saulus wordt Paulus. Uit een docent wordt dan een brenger van wijsheid. Uit een politieagent wordt dan een brenger van gerechtigheid. Uit een baas wordt dan een leidende dienaar. Uit een ambachtsman wordt dan een helpende kunstenaar. Uit een verpleegster wordt dan een reddende engel. Uit een scholier en student wordt dan een talent. Uit een mens wordt dan een brenger van licht in de levens van anderen.

Jezus roept ons op om visser te worden in het spoor van de grote visser. Iemand die menselijkheid naar boven vist. Iemand die anderen houvast geeft als ze de bodem onder de voeten dreigen kwijt te raken. Iemand die een troostend woord van leven spreekt. Iemand die doordat hij of zij in anderen menselijkheid naar boven vist, dat ook in zichzelf doet. Door anderen houvast en hoop te geven, dat zich ook zelf te binnen zingt.

De visserman – hij draagt het water, onze levens, zo bedreigd en kwetsbaar, onder zijn voeten. De visserman die de hooghartigheid, de fouten en mislukkingen van onze levens als kruis op zich neemt. De visserman die zelf geleid wordt door Gods Geest, door de duif die vrede brengt.

Wat is er dan? Wat is er dan? Er is alleen een visserman.