Lezingen:

  • Jes. 43:9-12
  • 1 Kor. 2:1-5
  • Mat. 5:13-16

Misschien heeft u de naam Rozemarijn van ’t Eind al eens gehoord. Rozemarijn is predikant, werkt als geestelijk verzorger voor het leger des heils en is klimaatactivist. En niet zo’n klein beetje klimaatactivist. Ze is een drijvende kracht binnen de veelbesproken Extinction Rebellion beweging en is actief binnen de christelijke tak ervan, de Christian Climate Action in Nederland. Weet u nog toen voor het torentje een spandoek werd geheven met de tekst “Hier graag ’n klimaatvriendelijke premier”? Precies, Rozemarijn was degene die toen dat spandoek omhooghield. Vorige week, tijdens de bezetting van de A12 was ze natuurlijk ook van de partij. In haar rolstoel, want ze heeft een aandoening waardoor ze in het lopen en staan beperkt is, ging ze met duizenden anderen protesteren tegen de subsidies voor fossiele brandstoffen.

Deze week is een boek van haar hand verschenen, “Rebelleren voor het leven” waarin ze heel kwetsbaar en persoonlijk vertelt over haar klimaatactivisme en wat dat voor haar met geloof te maken heeft. In dat boek legt ze een stukje uit de bergrede uit en legt daarbij de link met haar protest van vreedzaam burgerlijke ongehoorzaamheid. De andere wang toekeren, ook je bovenkleed afstaan, als je gedwongen wordt 1 mijl te lopen om dan twee mijlen te lopen, teksten die vlak na onze lezing uit Mattheus 5 staan.

Het zijn teksten die heel bekend zijn en tegelijkertijd veel weerstand oproepen. Als je een keer geslagen bent, moet je je dan nog een keer laten slaan? Dat is in ons persoonlijk leven al een vraag of we dat moeten late gebeuren, ons moeten laten vernederen in woord of daad je onrecht aan laten doen. Maar het wordt misschien nog wel moeilijker als je die teksten op een groter level trekt. Als je aan de oorlog in Oekraine denkt, zou er werkelijk vrede komen als je Poetin ook nog de andere wang toekeert?

Maar het gaat er niet om je te laten vernederen, schrijft Rozemarijn. Als je terecht wordt gewezen door een klap op je rechte wang, dan is het logisch om je klein te maken. Wanneer je in plaats daarvan uitdagend de linke wang toekeert, dan is dat juist een gebaar van verzet. Je maakt je niet klein, maar je heft je hoofd, je zegt als het ware “probeer het nog maar een keer, het is de eerste keer ook al niet gelukt me te vernederen”.

Ook je bovenkleed afstaan wanneer iemand je onderkleed wil hebben, is een gebaar dat niet jezelf beschaamd, maar degene die van jou de kleding afpakt. In het Romeinse rijk was het beschamend om iemand naakt te zien. Stel je voor, dat iemand je mantel vordert en je begint ook nog je ondergoed uit te trekken, dan zette je niet jezelf te kijk, maar juist de ander die zijn ogen afwende van jouw naaktheid.

En die tweede mijl meelopen, staat ook in de context van het Romeinse Rijk. Soldaten mochten van zomaar iemand op straat vragen om de spullen te laten dragen, maar niet meer dan 1 mijl, anders zou er misschien wel opstand onder het volk komen. Uitbuiting ja, maar wel gedoseerd. Als dan iemand vrijwillig langer de spullen van een soldaat draagt, was het gevaar dat die soldaat zelf in de problemen zou komen. Alsjeblieft, laat mij nou weer mijn spullen dragen. Het is geen vernedering van jezelf, maar het is burgerlijke ongehoorzaamheid, schrijft Rozemarijn, en dat op een vreedzame manier.

De kracht van kwetsbaarheid. Alle teksten die we vandaag hebben gelezen hebben het over zo’n kwetsbaarheid. “Alles van waarde is weerloos” – de bekende dichtregel van de omstreden Lucebert komen in me op.

God die zich uitlevert aan zijn volk in de Jesaja lezing. Mijn getuige zijn jullie, spreekt de Heer. God die zich anders laat kennen dan al die goden in de wereld van toen. Een God die zich niet laat beschenken, laat smeken om genade, die alleen maar met offers om te kopen valt, die mooie godenbeelden in een tempel wil hebben. Maar het is een God die uit zichzelf genade schenkt, zich verbindt met zijn volk, die zich vernedert door God te zijn alleen maar in de verhalen, met woorden, een zachte stem die overschreeuwt wordt in onze wereld. Een God die zich laat kennen in het vertrouwen van een klein slavenvolk.

“Alles van waarde is weerloos”. Paulus die aan de gemeente in Korinte schrijft over zijn kwetsbaarheid, zijn angst en onzekerheid. Hij, de apostel van de heidenen die gemeentes heeft gesticht, naar wie mensen opkijken, van wie mensen wijze woorden en waarheid verwachten, die schrijft hier: ik ben met niets anders gekomen dan met Jezus Christus, de gekruisigde. In onze christelijke of beter gezegd post-christelijke samenleving is dat kruis een vanzelfsprekendheid geworden, maar dat was het toen natuurlijk niet. Gekruisigd werden de opstandelingen, de criminelen, zij die vernederd moesten worden in het Romeinse Rijk. Er zijn spotprenten van toen gevonden waarbij een ezel aan het kruis hing. Zo keek men toen naar Jezus, naar de vroege christenen: als een dwaas, een ezel die zich laat kruisgen. Wie kiest nou voor zo’n zwaktegebod?

In het polytheïsme, het meergodendom van toen kon je die god kiezen die je het meest aansprak, goden met glans en macht. Waarom, in hemelsnaam, zou je dan voor de gekruisigde God kiezen?

Het is dwaasheid, zwakheid, geeft ook Paulus toe. En toch is het precies deze zwakheid, deze kwetsbaarheid waarin goddelijke kracht schuilt. Daarin zit toekomst, daar is liefde, dat is de enige weg, het licht voor heel de wereld.

Je zou het op het eerste gezicht niet zeggen, maar ook die teksten over het zout der aarde en het licht voor de wereld, teksten die vervolgd worden met dat slaan op de wang, zijn teksten over kwetsbaarheid. De zogenaamde bergrede begint met de zaligprijzing. Gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het koninkrijk. Gelukkig de treurenden, zachtmoedigen, hongerigen, barmhartigen – hier wordt een gemeenschap aangesproken in de verdrukking. De gemeenschap die rond Jezus staat, die zijn ekklesia, zijn kerk moet vormen. En die mensen moeten het zout der aarde zijn, de stad op de berg, het licht voor de wereld. Bespottelijk, zou je kunnen zeggen. Want wie heeft het in onze wereld voor het zeggen? Dat zijn de Poetin’s, dat is de politiek in Den Haag, dat zijn de CEO’s van, jawel, Shell en Exxon, die miljarden in hun zakken steken ten koste van de toekomst van ons allen.

Maar Jezus zegt, nee, jullie, zij die zich vasthouden aan de dwaasheid van de gekruisigde, die niet met wereldse wijsheid en kracht aankomen, jullie brengen de pit erin, de smaak op aarde, jullie maken het leven levenswaardig, jullie laten zien waar werkelijk het licht schijnt.

Na keizer Constantijn, toen het christendom ook tot wereldse macht was uitgegroeid, werden de teksten van het zout der aarde en de stad op de berg trouwens weer problematisch. Wanneer de kerk zich voordoet als brenger van waarheid, als centrum van belang en macht, dan gaat het toch weer in tegen de geest van Jezus, de geest van de bergrede. En als je goed op de woorden let, is het wel duidelijk dat Jezus niets moet hebben van de balspieren-taal. Want wat is er aan de hand met het zout? Ja, het was toen een kostbaarheid, zout was nodig om ander voedsel mee te conserveren. Zout had je nodig om te overleven. Zout dat is heel wat zou je kunnen zeggen. Maar het zout op zich is niets waard, pas als het oplost geeft het smaak. Dat is wat Jezus hier zegt: jullie moeten niet denken dat jullie in je kerken iets voorstellen als je niet dienstbaar bent aan anderen. Jullie moeten oplossen tussen de mensen, jullie moeten die kwetsbaarheid aandurven om de kracht van de gekruisigde in de wereld te brengen. Jullie moeten je niet opsluiten in jullie kerken. En jullie moeten vooral niet denken dat je het bij het rechte eind hebt. Als je denkt, en dat geldt met name voor predikanten, als je ervan overtuigd bent dat jij de waarheid verkondigt, nou dan is van die kwetsbaarheid weinig meer over.

Omdat vooral predikanten geroepen zijn om dwaasheid te verkondigen, voel ik me ook vrij om hier en nu te zeggen wat jullie misschien wel dwaas vinden, wat misschien wel helemaal niet klopt, waar je met een gerust hart op tegen kunt zijn. Ik zal het toch maar vertellen.

Vorige week in Den Haag bij de demonstratie van Extinction Rebellion, toen was ik er ook. Niet op de A12, maar ernaast. Om solidariteit te betuigen voor een beweging die opkomt voor het klimaat, opkomt voor de meest kwetsbaren op aarde, en zich daarbij op de andere wang laat slaan. Zich laat arresteren. Zich laat vernederen. Want wat je er ook van vindt, zowel van de inhoud als van de methodes van hun protestacties, het is wel duidelijk dat ze bovenmate gedwarsboomd worden.

Ik zei het al, mijn collega Rozemarijn was er ook. En nog wat andere predikanten, sommigen zelfs in toga. En weet je wat ze deden op de A12? Ze gingen met elkaar avondmaal vieren. Ze gingen zingen. Ze gingen bidden. Het was ontroerend om al die mensen te zien die bang zijn voor klimaatontwrichting. Kinderen en grootouders, studenten, volwassenen. En ik dacht iets wat misschien wel dwaasheid is: zou je die mensen ook zout der aarde kunnen noemen? Ja, ze overtreden de wet. Ja, ze zorgen voor overlast. Ja, sommigen zijn misschien ook wel heel fanatiek. Maar Jezus, de gekruisigde, was hij niet ook fanatiek? Een radicale? Ongehoorzaam, maar wel op een vreedzame manier, ging hij niet ook in tegen de overheid van zijn tijd? Jezus die geen genoegen nam met traagheid als het om gerechtigheid gaat, met “ach je kunt het toch niet veranderen” en “het is zoals het is”. Jezus die zich niet neerlegde bij onrechtvaardigheid. Die zelfs de dood niet accepteerde. De gekruisigde, met zijn grootste daad van verzet, die opstond uit de dood.

We leven in een rare tijd. Een tijd waarin veel mensen boos zijn. Het vertrouwen in de overheid verliezen. Een tijd waarin zekerheden wankelen. De oorlog in Oekraine die ons de illusie van veiligheid in Europa heeft ontnomen. Een tijd met zoveel verliezers. Wanneer de overheid zich niet houdt aan de eigen regels. Wanneer ondernemers, boeren, wij allen steeds weer met nieuwe regels te maken krijgen waarop we niet hadden gerekend. Wanneer bedrijven winst maken door de energiecrisis, ten koste van hen die in slecht geïsoleerde huizen wonen, ten koste van hen die zich vernederd voelen wanneer ze bij de voedselbank hun eten halen.

Om in z’n tijd je vast te klampen aan de gekruisigde, aan kwetsbaarheid. Om in zo’n tijd te kiezen om te luisteren in plaats van zelf het hoogste woord te voeren, om in zo’n tijd je muren af te breken – het gaat niet vanzelf.

We vieren vandaag avondmaal met elkaar. Brood en wijn proeven om de gekruisigde te gedenken. Om het zout, de liefde van hem, in je op te nemen, dat die Jezus deel van jou wordt. Boord en wijn, als lichaam en bloed, om daarmee vrede te worden. Het hoofd te heffen, op te staan voor recht en gerechtigheid.

We ontvangen wat Jezus offerde, zijn liefde, zijn licht, zijn waarheid, om zelf dragers van liefde, licht en waarheid te worden. En hoe we dat precies moeten doen, dragers van dat licht zijn, zout voor de aarde, dat zullen we wel altijd weer moeten ontdekken. Want die wijsheid van kwetsbaarheid die staat niet van tevoren vast. Die moet luisteren naar wie bang is en onzeker. Die moet vertrouwen hebben in een God die zich in liefde uitlevert aan mensen. Die moet zelf kwetsbaar durven te zijn, om het hoofd te heffen, om op te staan uit de dood.

Brood en wijn, voor jou, als teken van liefde, als bezegeling van een nieuw begin, als steun in de rug om licht voor de wereld te zijn. Daartoe zijn we geroepen. Dat is de kracht van de kwetsbare God, van Jezus, de gekruisigde.

Amen.